Inleiding
   Kwartierstaten
   Voormoeders
   Thema's
   Overigen

Jaantje en Piet

Gedicht over het gezin van Adriana Verrijp en Pieter Hoogvliet.
Het gezin woonde in Cillaarshoek, een kerkdorp in de Hoekschewaard. Het ligt tussen Maasdam (tegenwoordig Binnenmaas) en Strijen.
Een kleindochter heeft het geschreven voor één van de neven en nichten dagen. Het gedicht is van 1980.


Het begin Oom Teun Jaans Marie
Brood bakken Kinderen Kees Pietje en Grietje
Bakkerij Arie Wim Teun
Boerderij Jan Trijntje Kleinkinderen





Het begin

Het is nu een grote eeuw geleden
Dat Jaantje Verrijp en Piet Hoogvliet in het huwelijk zijn getreden.
Ik weet niet hoe of zij naar het Gemeentehuis zijn gegaan,
Maar dat hebben zij vast niet met een auto of fiets gedaan.
Zij hebben veel geluk gekend, maar ook verdriet.
Laat ik bij het begin beginnen en dat is dus bij Jaantje en Piet.

Piet werkte als dagloner bij de boer,
Hij werkte daar heel hard en stoer.
Als hij ’s morgens met de zeis naar het weiland ging,
Lag ’s avonds een halve hectare plat met dat ding.
Ik zou haast zeggen, daarin was hij kampioen,
Want er waren er maar weinig die hem dat na konden doen.

Een paar jaar later lag Jaantje in de kraam
En in een klein schuurtje kwam een koebeest te staan.
Toch droeg ook zij dagelijks haar steentje bij,
Ondanks haar kinderen, ging zij de koe melken in de wei.


Brood bakken

Een boer zei eens tegen Piet,
“Ik begrijp niet,
dat jij geen brood bakt.
Ik heb tarwe zat”.
Ook dat werd geprobeerd,
en al redelijk gauw aangeleerd.
Hij werd een beetje groter gemaakt, de oven.
Daarin stookten zij toendertijd geen kolen,
maar wel scheven, afval van vlas
En ook nog spaanders, dat uit de grienden afkomstig was.
Er konden nu wel zeven broden tegelijk in,
Dat was het eerste begin
van een leuke bakkerij.

Een nieuwe kruiwagen namen ze er ook nog bij,
Daar werden de broden op gelegd, keurig op de rij.
Drie morgens in de week gingen ze er het dorp mee in,
Al was het wel eens moeilijk in het begin.
De mensen keken er eerst vreemd tegen aan,
Dat werd toch alleen maar in de stad gedaan.
Maar toen zij dat brood eenmaal hadden geproefd,
Was de kruiwagen leeg in een snoef.


Bakkerij

De kruiwagen was al gauw te klein hoor!
Dus kwam er een kar met twee honden ervoor.
’t Jonge wat konden die beesten lopen.
Nu konden zij ook in een ander dorp gaan verkopen.
Zo kwamen er steeds meer klanten bij.
En werd het een echte bakkerij

Maar ook de honden konden het niet meer aan
En er kwam een wagen waar een paard voor kon staan.
Ze gingen nu helemaal in Puttershoek venten,
Maar daar kregen zij altijd geen centen.
In de winter werd daar haast niets verdiend,
De mensen werkten dan van armoed in de griend.
Spaanders, dat was afval van dat hout,
Daar werden hele schelven van gebouwd.
En als het hoogst was de nood,
betaalden zij daar mee het brood.
Zo werd er met dichte beurzen betaald.
Het ging er toendertijd heel gemoedelijk aan toe.
En ik geloof zij werden ook nooit moe,
Want de spaanders moesten ook nog worden opgehaald.


Boerderij

Het kleine schuurtje
Daar was omheen gemetseld een muurtje,
Want de koe die kreeg een kalf en dat kalf werd een koe,
Die koe kreeg weer een kalf en ze kochten er een bij, een koe.
’t Vee puilde op het laatst het schuurtje uit.
Toen werd dat kleine boerderijtje voor een groter ingeruild.
Met een rieten dak en van dat mooie groene klimop,
Het was net of dat er tegen aan was geplakt.
Driemaal zo groot was nu de stal,
Er stonden er nu vijftien op, in getal.

In het voorhuis was het al net zo gesteld,
Daar hadden zich intussen tien kinderen gemeld.
Het werk werd niet meer alleen door hen beiden gedaan,
De oudste jongens pakten ook al flink aan.
Zo hielpen er een paar in de bakkerij,
En anderen zorgden voor het vee in de wei.
Het was een heel gezellig gezin,
Er werd veel gezongen en gelachen, een grapje wou er wel in.


Oom Teun

Oom Teun woonde drie huizen bij hen vandaan,
Zondags na kerktijd gingen zij graag bij hem aan.
Hij had een houten been,
Maar zij gingen er graag heen,
Want met zijn trekharmonika speelde hij vrolijke wijsjes,
En zij zongen erbij als sijsjes
Een, twee, drie stemmen tegelijk.
De mensen bleven staan luisteren op de dijk,
Dat kunnen jullie wel begrijpen misschien.

Kinderen

Als je Jaantje vroeg hoeveel kinderen zij had gehad,
Zei ze prompt zeventien, en het waren er maar tien.
Twee kinderen zijn heel jong gestorven,
Ik weet niet precies hoe of dat is gegaan,
Dus wil hier niet langer bij stil blijven staan.


Arie

Arie, dat was de eerste
En hij dacht zelf ik ben de geleerdste.
Een soort vaderfiguur,
De kleinsten vonden hem wel eens lastig op den duur.
Als zij samen reden met de kar met brood,
Werd de spanning weleens groot.
Bleef hij wel eens lang hangen bij een klant,
Dan namen zij soms een handje heerlijke mopjes uit de mand.
O jee, als dat door Arie werd ontdekt,
Dat had wel eens een verkeerd effect.


Jan

Jan, dat was de tweede,
Meestal heel tevreden.
Maar aan de boerderij had hij het land,
Dus ging hij als slagersknecht naar Oud Beijerland.
Daar zag hij een leuk meisje achter een naaimachine.
Hij zei tegen de andere knecht “Dat wordt later mijn vrouw,
Dat zul je wel eens zien”.
’t Leek wel of hij een vooruitziende blik bezat,
Want hij had nog nooit een woord van haar gehad.
Hij kwam eens voor een weekend thuis,
En daar zat datzelfde meisje, bij oom Janus in huis.
Hij stond paf
En schoot er meteen op af.
Zij is ook voor hem gezwicht,
Het was liefde op het eerst gezicht.
Maar zij was een dochter van Werkendam,
Niet best als daar een vreemde jongen om een meisje kwam.
Hij werd opgewacht, met messen, stokken en ga zo maar door,
Zo’n jongen zouden zij wel eens mores leren hoor!
Toen Jan dan ook de eerste keer uit vrijen ging,
Stak hij een groot mes bij zijn binnenzak in.
Hij heeft zijn mannetje wel kunnen staan,
Want dat huwelijk is later wel doorgegaan.


Jaans

De derde was een meisje en zij heette Jaans.
Ze zat met grappen boordevol,
O mensen ,wat had die altijd een lol.
Van school af ging zij naar de stad toe,
Zij moest niets hebben van de boerengedoe.
Aan vriendinnen en vrienden ontbrak het haar niet,
Zij had immers altijd lol en nooit verdriet.
Op een keer
had zij kennis aan zo’n dure mijnheer,
Maar zij wist het zelf niet,
Het was een grote bandiet
Hij werd gezocht in stad en land,
Toen liep de grap wel een beetje uit de hand.
Er werd een hele mooie liefdesbrief geschreven,
De burgemeester dicteerde hem even.
’t Ging Jaans helemaal niet naar ’t zin,
Maar de bandiet tippelde er op het station mooi in.
Zij heeft nooit meer iets van hem gehoord,
En zij leefde weer vrolijk voort.


Kees

De vierde, dat was Kees,
Die lachte het allermeest.
Jaans was dan ook zijn lievelingszus, met al haar grappen.
Zij hebben ze met hun beiden wel eens heel bruin gebakken,
Op een zondag had zij een mooie nieuwe jurk aan.
Nu moesten zij keurig netjes uit kuieren gaan.
Maar de dijk werd hen veel te klein,
In het weiland, daar moesten zij zijn.
En van het lopen moe,
liepen zij op een grote sloot toe.
Jaans zei “En jij zegt dat ik niet durf”
En sprong meteen de sloot in, met haar mooie nieuwe jurk.
O, wat hadden die beiden een pret,
Maar thuisgekomen moesten zij zonder eten naar bed.


Wim

Dan volgde Willem,
zij noemden hem ook wel Wim.
Hij was een grote steun
voor oom Teun.
Schoenen die oom Teun voorzag van een nieuwe zool,
Nam Wim mee naar de klanten, op weg naar school.
Het was wel een beetje uit eigen belang,
Want voor één of twee centen, liep hij kilometers lang.

Zo kwam hij eens bij een dikke boerin.
Zij greep met haar hand in die grote zak,
Die zij onder haar jurk en schort verborgen had.
Wim keek met grote ogen in de hand van de boerin,
Daar zat nu letterlijk van alles in.
Centen, stuivers, garen, band, guldens en ook nog een vingerhoed.
Hij dacht “Nu wordt mijn dag pas goed”.
Want die hand ging niet één, maar wel driemaal in die zak,
Toen eindelijk de boerin heel vriendelijk sprak:
“Nee jochie, ik heb geen halfie meer,
Misschien wel op een andere keer”.
Als hij voortaan kwam bij zo’n klant,
Smeet hij de schoenen in de gang, helemaal naar de andere kant.


Trijntje

Nummer zes, dat was Trijntje,
Nu die hield ook wel van een geintje.
Op een dag was zij toch zoo ziek,
Mee stal boenen, o heden nee, dat kon zij niet.
Zij kon niet komen uit haar bed,
Voor zussen en broers in de stal zodoende ook geen pret.
Om een uur of elf, wie stond daar in de staldeur?
Trijns breedlachend en één en al fleur.
Ja hoor, het was er door,
Want zij had het zelf niet durven vertellen hoor!
Toen hebben zij de dokter maar ingeschakeld,
Dat was toch niet zo’n merakel!
Maar wat was er toch met haar aan de hand?
Dokter had gezegd, zorg maar voor de luiermand.


Marie

De zevende, dat was Marie,
Van de meisjes was zij nummer drie.
Met haar diepbruine ogen en zwart krullend haar,
Stal zij menig hart, want luister maar.
Op een keer
Kwam er een hele rijke mevrouw en mijnheer.
Die zeiden tegen Jaantje en Piet,
Kinderen hadden zij zelf niet,
“Dat mooie kind, dat willen wij graag,
Zeg maar hoeveel je er voor vraagt”.
Het werd een moeilijke beslissing voor Jaantje en Piet,
Mochten zij die rijkdom dat kind wel onthouden,
Want dat hadden zij immers zelf niet.
Uiteindelijk sprak toch het moederhart,
Marie mocht bij zusjes en broers blijven,
want daar lag voor haar de grootste schat
Die rijke mensen kwamen bedroefd weer thuis,
Zonder kinderen was het kaal en stil in hun huis.


Pietje en Grietje

Dan volgde Pietje,
En daarna Grietje.
Zij verschilden van leeftijd maar net een jaar,
En waren dan ook altijd bij elkaar,
Hadden vaak een zelfde kleur jurk aan,
Konden wel voor een tweeling doorgaan.

Met hun beiden kregen zij één nieuwe fiets.
Wie hem later mocht hebben, wisten zij nog niet.
Toen maakten zij een afspraak hoor,
Wie 't langst bij vader en moeder bleef, daar was hij voor.
Pie had de trouwplannen al klaar,
Dus was de fiets voor Grietje, vergeet dat echter maar,
Grietje kon niet langer wachten meer,
En trouwde nog veertien dagen eer.
Zodoende ging de fiets niet naar Grietje,
Maar volgens afspraak alsnog naar Pietje.


Teun

Teun dat was de jongste uit dat gezin,
Was dan ook ieders lieveling.
Maar een klein zusje had hij toch zo graag.
Hij had de dokter al eens gevraagd.
’s Nachts droomde hij er vaak van,
Maar dat wachten duurde toch zo lang.
Wacht eens, daar schoot hem iets in ’t zin,
De rode kool, daar zaten zij ook wel eens in.
Toen ging hij stilletjes met een mes naar de tuin,
Pats! Daar lag de eerste kool in puin.
Jammer, daar zat niks in,
Maar het was nog pas het begin.
In de tweede misschien,
Ook daarin was niks te zien.
Pats! Pats! Daar ging de derde en de vierde, hij sloeg steeds vlugger hoor,
Zo sloeg hij de kolen allemaal midden door.
Maar of hij nu zacht sloeg of hard,
Er was niet ene kool waar zo’n klein zusje inzat.
Hij ging naar huis, heel bedeesd,
Toen had hij pas in de gaten, dat 't een sprookje was geweest.


Kleinkinderen

Dit is misschien ook wel leuk om te horen,
Er werden nog drieëndertig kleinkinderen geboren.
Vier kregen de naam Piet Hoogvliet,
En een Zuiderent en een Verbane Piet.
Jaantje, Adriaantje was eigenlijk haar naam,
Dat werd een Jaantje, Sjaan en drie Adrie’s als roepnaam.

Het jonge echtpaar dat ik in dit gedicht naar voren bracht,
Dat waren Opoe en Opa, dat hadden jullie zeker al gedacht.
De kinderen, tien in getal, dat waren onze vaders en moeders,
Dat begrepen jullie natuurlijk al!
Dan de drieëndertig kleinkinderen er nog bij,
Ja je begrijpt het al, dat zijn wij.

Het ouderlijk huis, met de groene klimop is niet blijven staan,
Dat is eens door vuur en vlam vergaan.
Maar het jongste kleinkind, dat is Jan van Wim,
Die woont nog op dezelfde plek, waar dit verhaal over ging.



April 1980
J.A. Slot-Hoogvliet
Indeling, illustraties en minieme tekstuele aanpassing door mij, Maartje


vragen of aanvullingen:   info@maartjese.nl